Drijven

Blijven drijven

Dit is wel weer een leuke gebeurtenis voor mijn Blog, bedacht ik mij, terwijl ik mij uit alle macht probeerde vast te klampen aan de scherpe rotsen. Massa’s zeewater probeerden uit alle macht mij los te weken en leken er een schepje bovenop te doen. Verwoed zochten mijn benen houvast onder mij. Alles wat ik voelde waren ongelijke gladde rotsen die vanwege het woedende water geen enkele steun gaven. Scherpe uitsteeksels haalden mijn armen en benen open, maar ik voelde het niet. Ik had maar een wens: het water uit. Nee, wacht. Ik had nog een wens: dat mij dit zou lukken zonder in een zee-egel te trappen of te grijpen. Oh ja, ik wilde ook mijn snorkel niet kwijt raken.
Dan moet je achter het klooster zien te komen!, had een vriend gemaild als antwoord op mijn e-mail dat ik in Paleokastritsa ging snorkelen. Hij snorkelt regelmatig in de mooie wateren van west Corfu en weet waar de mooiste plekjes zijn. Het is wel een klein uurtje zwemmen, maar dan heb je ook wat, was zijn boodschap. Prachtige grotten, veel vis en geweldige onderwater taferelen. Tja, meer hoef je mij niet te vertellen.

Struikelend en vallend vanwege de overmaatse eendenpoten aan mijn voeten begeef ik mij onwennig in het helderblauwe nat van een van de mooiste baaien van Corfu begeef. “Save the whale!”, roept Mirjam met een commentaarstem, terwijl schoonzoon Polle mijn geploeter filmt. Dat moet vanwege mijn glanzende huid zijn en heeft met mijn omvang niets te maken, houd ik mezelf voor. Net voor ik mijn hoofd onder water steek roept Polle dat we elkaar daar wel tegen zullen komen. Hij is een geoefend duiker met toeters en bellen. Schoonpa is slechts amateur snorkelaar die voor het eerst met geleende flippers in het water ligt.

Gosh, wat is het hier toch fantastisch snorkelen! Het klopt volgens mij wel dat Paleokastritsa een van de mooiste onderwaters heeft van Corfu. Al snel heb ik een prachtige schelp ontfutseld aan de stekels van een zee-egel die een paar etages lager woont. Die gaat in het kontzakje!
Maar wat zijn die flippers vreselijk onhandig. Ik heb geen flauw idee hoe ik moet bewegen met die klere dingen. Ik trap maar een beetje raak, maar heb niet bepaald de indruk dat ik nu als een torpedo door het water heen klief. Gelukkig maar dat hier niemand met een filmcamera staat, het moet een koddig gezicht zijn om iemand zo nu en dan schoolslag te zien doen met flippers aan. Ik moet duidelijk nog wennen.
Reeds na een paar honderd meter geplons schieten de eerste krampvlammen al door mijn voeten. Dat zal wel nieuwigheid zijn en dus stuntel en stakker ik maar door. Maar om nou te zeggen dat je leven met flippers zoveel eenvoudiger wordt, nee. De moeilijke bewegingen worden misschien ook veroorzaakt door de hoge golven waarin ik verkeer. Dat maakt het snorkelen er niet eenvoudiger op. Ik moet dan ook zorgen dat ik een beetje uit de buurt blijf van de vijandig ogende rotskanten. Met grote witte schuimkoppen slaan de wilde golven er op te pletter. Het donderend geraas dat dit veroorzaakt klinkt imposant genoeg om enige afstand te bewaren. Komt bij dat ik op moet letten bij onder water staande rotspartijen. Vanwege de hevige deining waar ik een speelbal van ben, kan ik de enkele meters onder mij liggende begroeide rotspieken een seconde later soms wel van heel dichtbij bekijken. Leuk, zou je zeggen. Maar echt tijd om het op je gemakje te bekijken heb je niet als je een moment later weer opgetild wordt door de volgende golf. Dit gaat een vermoeiend tochtje worden, realiseer ik mij.

Proestend en hoestend spuug ik een golf zeer zout zee water uit. In een poging mijn vlammende kuiten rust te gunnen op een onder water liggende rots, heeft de stroming mij met groot gemak onderuit getrokken. Omdat ik ondertussen wel door ging met ademen, heeft de steeds wildere zee kans gezien elke opening in mijn hoofd vol te pompen met water. Als je last hebt van vastzittend snot schijnt zout water wonderen te verrichten, maar die zorg heb ik momenteel niet. Wel dat ik het gestelde doel vandaag niet ga bereiken. Ik ben nog maar net op de helft, schat ik. Maar wel al helemaal kapot. Heel vreemd, maar ik moet aan Gerrie Knetemann denken. Zo moet hij zich ook gevoeld hebben na de winst in de Amstel Gold race. ‘Helemaal naar de kloten’, antwoordde hij huilend op de vraag van Mart Smeets hoe hij zich voelde. ‘Maar zo gelukkig’, snikte hij er achteraan.
Ik ben dan ook wel officieel naar de kloten, maar gelukkig voel ik mij niet. Primo is daar de teleurstelling dat de ontsluiering van verwachte geheimen en schoonheden van de grotten op zich moet laten wachten. Maar dat is van ondergeschikt belang. Secundo, ik moet terug zien te komen! In de lamentabele toestand waarin ik momenteel verkeer, gaat dat heel moeilijk worden. Tertio, tot overmaat van ramp is tijdens de worsteling om weer boven te komen, mijn linkerflipper uitgegaan. Ik had toch al niet veel plezier van die krengen, maar nu heb ik er nog eens last van ook. Ploegend begin ik aan de terugweg.

Na een paar honderd meter grommen en snuiven, heb ik in de gaten dat ik het op deze manier nooit ga halen. Met een flipper aan de voet, de ander in de hand schiet ik maar weinig op. Je bent toch verder gekomen dan je dacht Dickie.
Shit, ik ben uitgeput. Door het geploeter in de stroming gaat mijn hart tekeer als een op hol geslagen stoommachine. Nu snap ik dat je tijdens een rustgevende snorkelbeurt een hartaanval kan krijgen, zoals ik een paar weken geleden in de krant las. Nou ja, dan ben je in ieder geval genietend ten onder gegaan, denk ik en zet koers naar de rechts van mij liggende zwarte rotsen. Het zal een heel gevecht worden om er ondanks de wild beukende golven op te klimmen, maar het is bittere noodzaak. Ik moet rusten anders verzuip ik als een rat.
Eenmaal temidden van de witte schuimkoppen in de woeste branding bij de vijandig ogende rotsen moet ik eerst van die verrekte flipper af. Ik moet de beschikking hebben over alle ledematen die mij ten dienste staan en misschien wel meer. Ik wacht het juiste moment af en doe een poging de flipper op de rots te gooien. Gelukkig blijft het rotding liggen anders had ik er nog een zorg bij gehad. Nu ik nog.
Ik ga nog een keer onder om te zien of ik niet toevallig in een zee-egelveld beland als ik tegen de rots op moet klauteren. Ik ben er onderweg honderden tegen gekomen. Door de explosies aan luchtbellen heen kan ik er niet een ontdekken. Op het gevaar af gespietst te worden, besluit ik de gok te wagen en werp mij in de branding. Even heb ik houvast, maar het kolkende water is sterker en haalt mij terug. Vermoeid ben ik niet meer, overleven is alles momenteel. Na een paar mislukte pogingen en meerdere schaaf- en snijwonden heb ik eindelijk goed beet. Met een laatste krachtsinspanning ontworstel ik mij eindelijk aan de woeste golven.

Het zit niet echt relaxt op keiharde scherpe grillige rotsen, maar ik voel mij als een koning op een troon, zo gelukkig. Rust! Heel in de verte zie ik een motorbootje over de golven stuiteren. Zal ik ze roepen? Nee, je bent hier op eigen kracht gekomen, dus moet je zelf terug zien te komen ook joh! Alhoewel het handig zou zijn als Polle nu langs zou komen stomen. Kan hij mooi mijn flippers bij zich houden, heb ik weer een zorg minder. Maar zijn hoofd verschijnt niet aan het steeds wilder wordende wateroppervlak. Dan moet ik mezelf maar zien te redden. Ik schat mijn kansen als redelijk in. Na een paar minuten op het droge trillen mijn sidderende kuiten al minder en de zon schijnt zalig op mijn bolletje. Ik ben, op een paar oppervlakkige sneden aan armen en benen na, gelukkig niet gewond. Een kwartier hier en dan moet het wel weer lukken.
Hier zullen niet veel mensen geweest zijn, realiseer ik mij, terwijl ik het piepkleine rotseilandje in mij opneem. Geen wonder, het is er allerminst comfortabel. En je hebt er geen aanspraak. Ik ben de enige bewoner, met een aantal nare steekvliegen die op de bloedstroompjes op mijn armen en benen af gekomen zijn. Bovendien heb ik van al het zoute water een strot als een olifant gekregen. En nergens een bar, dat zie je in een oogopslag.
Maar het uitzicht is spectaculair! Van zeer dichtbij kan ik genieten van de op de grillige kust te pletter slaande zee. Toch wil ik hier niet blijven. Na twintig minuten de agressieve vliegen van mij afgeslagen te hebben, besluit ik weer een poging te wagen. Wel moet ik er op letten dat ik om de rots heen zwem die iets verderop hoog uit het water oprijst. Doe ik dat niet dan kom ik in de lagere rotspartij terecht en de kans dat ik daar doorheen kan is nul. De woeste watertaferelen die zich daar afspelen in aanmerking genomen is het nog eens gevaarlijk ook. Moeizaam worstel ik mijn verkrampte voeten in de flippers. Zo heb ik er minder last van dan in mijn handen.

Het moet de vermoeidheid zijn geweest, ik kan geen andere oorzaak bedenken waarom ik alsnog in de rotspartij verzeild raak. Ik had het scherp op mijn netvlies staan dat ik om die grote rots heen moest. Toch lig ik voor een gesloten deur, hier kan ik niet verder. Ik moet terug. Shit! Normaal zit ik er niet zo mee om een stukje om te zwemmen, verwend als je altijd wordt met wat de wereld van Neptunus en andere zeejongens je allemaal aan schoonheid te bieden heeft. Maar nu zinkt de moed me toch even in de flippers.
Maar wat moet dat moet. Dus laveer ik voorzichtig tussen de rotsen door naar open zee en zie dat het nog een hele krachttoer zal worden de grote rots te ronden. Ik ben alweer kapot, de rustpauze op de rots is blijkbaar niet lang genoeg geweest. Dan zie ik Polle verschijnen! Laus Deo. Hij kan me van die vervloekte flippers afhelpen. Hij zal mij erbij moeten helpen want door de kramp kan ik mijn knieën niet voldoende buigen. Al watertrappelend houd ik mijzelf drijvend terwijl Polle een voor een de flippers van mijn verkrampte poten af pelt.
Ik voel dat ik mezelf weer opgeblazen heb, ik moet dringend naar de kant. Ik schreeuw boven het geraas van de branding uit dat ik moet rusten en begin naar de lager gelegen rotsen te zwoegen. Polle gaat voor en kijkt of ik in aanvaring met zee-egels zal komen. Gelukkig is dat niet het geval. Gee, hier is de branding nog heviger. Ik grijp me vast aan een uitstekende punt en probeer me vast te klampen. Vergeefs, de golven bedelven me onder zo’n plens water dat ik weer moet lossen. Koppie onder en weer een sloot water naar binnen. Dat zoute water begint me behoorlijk de keel uit te hangen.
Hoestend en grommend doe ik nogmaals een poging en heb even houvast. Nu moet ik met een machtige beweging naar een volgende rots zien te duiken en daar zullen we wel verder zien. De redding is nabij, zij het niet dat de branding steeds heviger lijkt te worden. Ik besluit mijn snorkel en duikbril vast naar de overkant te gooien. Te kort! Het kreng komt te laag op de rots en glijdt langzaam de heftig schuimende whirlpool in. Om zonder snorkel het hele eind terug te moeten zwemmen, zal alleen maar moeilijker zijn in mijn toestand.

De dood of de gladiolen, flitst het door me heen en ik zet af. Ik graai in de kolkende massa, voel mijn snorkel en flikker het ding een eind op de rots. Een volgende moment heb ik houvast. Ik schrap nog wat vel van armen en benen aan de scherpe rotsen, slik weer liters zeewater naar binnen, maar laat niet meer los. Dodelijk vermoeid hijs ik mij op de rots.
De zee krijgt me vandaag niet meer. Al moet ik hier de hele nacht blijven zitten. Polle heeft al poolshoogte genomen en zegt dat het mooi zou zijn als ik over de rots heen klauter. Aan de andere kant is de baai en ben je in rustiger vaarwater. Dat zou mooi zijn, want om weer de strijd aan te gaan met de open zee trekt me totaal niet. Net zomin als het idee om met mijn blote voeten over de scherpe rotsen te lopen, maar dat is van later zorg. Eerst rusten.
Terwijl Polle in het water stapt om waterschoenen voor mij te kopen, heb ik voor het eerst gemak van mijn flippers. Ik gebruik er een om op te zitten. Geen fauteuil, maar beter dan ook mijn kont nog eens open halen aan de venijnige ondergrond.

Ik heb even de tijd om mijn adem te regulieren en mijn zonden te overdenken. Achteraf gezien was het geen slimme actie om zo ver uit de kust te gaan met deze wilde zee, hoe mooi de beloning ook geweest zou zijn. Ik wacht nog even tot mijn ademhaling enigszins genormaliseerd is en besluit dan voorzichtig te proberen de rots over te steken.
Als een bejaarde zonder looprekje begin ik aan de pijnlijke oversteek. Het voelt bepaald niet aan als de badkamervloer. Ik denk met afgunst aan Antonio de schipper, die met zijn blote poten over de ruwste ondergrond loopt zonder een spier te vertrekken. Maar ik heb toch meer eelt dan ik dacht, want na een pijnlijke tien minuten kom ik aan de andere kant van de rotspartij. Antonio zou trots op me zijn. Er is zelfs een wat gladder stukje rots en helemaal gelukkig zit ik even later prinsheerlijk te wachten tot ik Polle aan zie komen met een paar nieuwe waterschoenen.

Wankelend en waggelend strompel ik het strand op. ‘The whale is saved’, mompel ik. Verwijtende blikken van vrouw en dochter worden mijn deel. Maar wacht eens, ik heb nog een prachtige schelp in mijn kontzak zitten. Die kan mooi bij wijze van bloemetje dienen! Ik graai en voel niets.