Stilstaan

Omdat ik al een hele tijd zeer druk ben geweest met de nieuwe website, niet alleen op doordeweekse dagen maar ook in de weekends, heb ik me op deze prachtige zondag voorgenomen niet achter de pc te kruipen, maar iets te gaan doen wat ik al heel lang op mijn lijstje heb staan: Varypatades fotograferen. Het is een prachtig oud dorpje in het binnenland van Corfu. Ik ben er verschillende keren doorheen gereden (zie filmpje) en telkens denk ik: binnenkort ben je van mij. Deze zonovergoten zondag neem ik eindelijk de gelegenheid te baat om hier eens lekker te gaan kieken.

Ik parkeer net buiten het dorp  en met de cameratas om de schouder wandel ik richting de eerste huizenconcentratie. Wat is dat toch heerlijk genieten in zo’n oud Corfu dorpje! Zo rustig, zo stil en sereen als het daar kan zijn op een zondagochtend. Heel in de verte hoor ik zo nu en dan het geluid van een maaimachine, een hond blaft een keer en zelfs hoor ik nog even een verlate haan kraaien. Verder niets dan het geluid van groeiend gras.
Ik ben onderweg al niemand tegen gekomen, geen wandelaar, geen fietser, geen scooter. Wanneer ik eenmaal het dorp binnen ben gewandeld blijft dat zo. Waar zijn ze allemaal gebleven, vraag ik me af. Maar het deert me niet, om te fotograferen heb ik maar het liefste niemand om me heen. En dus klik ik er op los. Prachtige oude – soms verlaten – huizen, poorten, schuren en straten. Al snel doop ik Varypatades tot Deur Dorp. Een bonte collectie van vaak verweerde deuren en ramen, maar ook felgekleurde in- en doorgangen, vaak met de elektriciteitsmeter in dezelfde kleur meegenomen. Genieten man.
Na een half uur mijn ogen verwend te hebben, kom ik, een klein straathondje niet meegeteld, de eerste levende ziel tegen. Een imposante hoogbejaarde dame, gehuld in een blauwe bloemetjesrok en een lekker warm rood vest waar overheen een lichaamsbedekkend schort. Haar oude benen zijn gestoken in donkerblauwe steunkousen, wat geen overbodige luxe is. Ze beweegt zich bijzonder traag voort achter een aluminium looprekje. Voetje voor voetje, centimeter voor centimeter schuifelt ze door de op- en aflopende straatjes van Varypatades.
Ze kijkt mij in eerste instantie enigszins wantrouwend aan wanneer ze mij in het vizier krijgt. In de paar woorden Grieks die ik machtig ben, spreek ik haar aan en vraag hoe het gaat. Haar gezicht wordt een grote glimlach als ze mij aanhoort en ze geeft me een groot compliment. Mijn uitspraak is goed. Dat hoor ik vaker, maar ik blijf het jammer vinden dat ik de Griekse taal niet machtig ben. Ondertussen vindt de oude dame het allang prachtig dat ik een paar zinnetjes met haar uitwissel. Op mijn zorgvuldig uit het hoofd geleerde ‘O keros eine kalos!’ (Wat een prachtig weer!) lacht ze haar laatste tanden bloot. Maar morgen regen, waarschuwt ze.
Omdat ik er niet schuldig aan wil zijn dat ze bezwijkt vanwege het lange staan, zeg ik haar dat ik verder moet. Ze knikt begrijpend en wenst me nog een mooie dag en een goede reis. Ik wens haar hetzelfde en kijk haar stiekem na terwijl zij zich weer heel traag voortbeweegt naar de hoek van de straat. Die heeft geen haast, gaat het door me heen.

Als ik na enkele uren gelukzalig ronddwalen door Varypatades mijn maag zo nu en dan voel knorren, verbaas ik mij erover dat ik nog geen enkele horecagelegenheid ben tegen gekomen. Ook een supermarkt, een kafeneion (soort van café), of wat voor nering dan ook, behoort blijkbaar niet tot het interieur van dit schitterende Corfu dorpje. Bizar! Een Corfiotisch dorp zonder taverna, of op zijn minst een gelegenheid waar je een ouzo of een wijntje kan scoren, is in mijn beleving net als een accu zonder stroom, bier zonder schuimkraag, of een huis zonder dak. Ik wist niet dat het bestond, echt waar.
Maar omdat ik het altijd de slagroom op de taart vind om na een fotosessie ergens te gaan lunchen, besluit ik, als het niet anders kan, naar het iets verderop gelegen Sinarades te rijden. Een mens moet toch eten, anders ga je dood, is mijn stelling. En dus doorkruis ik het dorp weer, terwijl mijn ogen, nu geconcentreerd, rondspeuren naar een eetgelegenheid. Ik móet mij vergissen, een dorp met afmetingen als dit moet minimaal een kafeneion hebben. Waar moeten de mannen van Varypatades anders de wereldproblemen bespreken?
Op het dorpspleintje, waar twee vrouwen geanimeerd en op luide toon met elkaar in gesprek zijn, probeer ik de bevestiging te krijgen dat ik mij vergis. Maar nee, ik moet er aan geloven, ook zij vertellen mij dat er niet zoiets als een eet- of drankgelegenheid in Varypatades is. Ongelofelijk! Dus zit ik even later in de auto en slinger mij een weg door het stille binnenland van Corfu richting Sinarades, nog zo’n schitterend authentiek dorpje in het centrale gedeelte van het eiland. Wat leefden ze eenvoudig toen, in simpele huizen tussen groen, denk ik aan Sonneveld als ik de auto parkeer vlakbij een tentje waar ik eerder eens wat gegeten heb toen ik Sinarades vereeuwigde.
Typisch Grieks, de entree van deze taverna, genaamd Archontariki, is dermate afgeplakt dat het erop lijkt alsof de zaak gesloten is. Het zal toch niet waar zijn? Met een lichte wanhoop duw ik de klink naar beneden en – Laus Deo – de deur gaat open. Ik ben binnen! De ruimte is half verlicht, waardoor het achterste gedeelte van de gelagkamer totaal in het donker ligt. Aan een tafeltje middenin het verlichte deel zit een wat ouder stel, Engelsen vermoed ik. Een ander tafeltje wordt bezet door een jonge kerel die zit te kaarten met wat later zal blijken zijn zoontje van een jaar of tien. Achter de bar staat een vriendelijk ogende vrouw met blond krulhaar en zij heet mij hartelijk welkom. Of ze wat te eten heeft, vraag ik. Natuurlijk meneer, gaat u zitten! Zij vertrekt gelijk door de saloondeurtjes naar haar domein de keuken en ik ga zitten aan een tafeltje naast het Engelse stel.
Na enkele minuten, het spelletje kaart moest eerst afgemaakt worden, staat de kaartende vader op en komt mijn bestelling opnemen. Ik bestel, zoals meestal, een saganaki, met daarnaast een borrel en een glas water. Even later neem ik een eerste slok van het bijtende goedje genaamd tsipouro en die smaakt uitstekend, zeker in combinatie met de sappige saganaki waar ik inmiddels mijn tanden in heb gezet.
Dan zwaait de deur open en komt er een wat oudere man binnen. Hij gaat enigszins gebukt onder het gewicht van vier 5-litervaatjes wijn, rood, wit en rosé. Rood gaat blijkbaar het best want daarvan heeft hij er twee. Hij torst zijn kostbare last achter de bar en roept wat tegen de jonge Griek die mijn bestelling heeft opgenomen en inmiddels weer aan het kaarten is. Die legt zijn kaarten op tafel en gaat gelijk aan het werk met de wijn. De wijnboer begroet mijn buren hartelijk, komt daarna naar mijn tafeltje en vraagt of alles goed is. Ik geef hem een compliment voor de tsipouro, die – niet gejokt – erg lekker is. En of die huisgemaakt is? Of course, klinkt het trots, hij maakt alles zelf. Enneh, mocht je er teveel van nemen, geen hoofdpijn daarna hè? Ja, dat is mij bekend, zelfs door ervaring, moet ik tot mijn schande bekennen.
Ik neem nog een slok en hij vraagt of ik er nog een wil. Ehm, ik weet niet, eh, ik moet zo langzamerhand naar huis toe en zo. In mijn twijfel ziet hij een bevestiging en het volgende moment is mijn glas weer vol. Dan de hamvraag: waar kom je vandaan? Ah, Holland? Laat hij daar nou gewoond hebben! En wel in Skiedam, vlakbij Rotterdem. Want hij heeft, zoals veel Grieken, gevaren en is tijdens zijn actieve loopbaan niet aan dé havenstad van Europa voorbijgegaan. Om na zijn loopbaan terug te keren naar Corfu om aldaar een taverna te openen. En Akis, want zo heet hij, vertelt, zijn kleinzoon naast hem gezeten, honderduit over zijn avonturen in de Rotterdamse haven en zijn huidige leven op Corfu.
Het is zo gezellig dat ik besluit nog maar een lekkere Spetsofai (pittige worstjes) te bestellen. Als vanzelfsprekend wordt ook dat kleine glaasje weer gevuld en ook Akis laat zich zijn zelfgebrouwen lekkernij wel smaken. En hij vertelt en vertelt.

Met de belofte zeker weer eens terug te komen verlaat ik na anderhalf uur de aangename omgeving en stap op de toppen van mijn geluk in de auto. Even later stuit ik op een binnenweggetje richting huis op een wegversperring. Een pick-up truck staat dwars over de weg en in de bak van het vehikel staat een man blokken olijfhout te lossen. Aan de flinke bult hout waar hij gedeeltelijk achter schuilgaat te zien gaat dit nog wel even duren. Hij maakt ook geen aanstalten om zijn auto speciaal voor mij te gaan verzetten. Shit, dat komt nou net effe niet uit, ik ben al veel later dan ik eigenlijk berekend had. Mirjam vraagt zich inmiddels misschien wel af waar ik blijf. Die houdt er altijd lichtelijk rekening mee dat ik bij het fotograferen in een afgrond stort of enthousiast klikkend door een verrotte vloer van een vervallen huis heen zak en daar met twee gebroken benen lig te zieltogen. Zal ik keren en zien of ik een andere weg kan vinden? Maar de zon is nog niet helemaal onder en de harsig geurende omgeving dringt langzaam mijn neusgaten binnen. En ik pak mijn mobiel, stel het vrouwtje – geheel overbodig – gerust, en draai mijn contactsleutel om. Tom Waits gromt zijn mooiste lied, verder niets dan het geluid van houtblokken die op en over elkaar elkaar stuiteren. Ik kijk, comfortabel achterover geleund, en zie dat het goed is. Wat een leven.